01. Dakloos en Zwerven, de ontmoeting met Maria

 

k

Op de immense trappen van de Sint Nicolaas kerk zag ik haar voor het eerst: een vrouw, gehuld in rommelige lompen. Ze keek me, door haar grijze lokken heen, met holle ogen aan. Daar zat ze op de trap te kleumen van de kou. Het was steenkoud op deze novemberdag in 1991. 
Ik voelde me verlegen met mijn rieten mand gevuld met etenswaren van de dichtstbijzijnde supermarkt. Me bewust van mijn bezigheden liep ik door, maar het beeld van de vrouw bleef me bij, haar aanblik veroorzaakte een knagend, onbehaaglijk gevoel. 
Daarna, op weg naar de tram, kwam ik opnieuw langs de armzalige vrouw, maar nu leek het of haar ogen helderder keken. Haar blik hield me aldoor vast: wie zou zij toch zijn? 
Als we elkaar sindsdien troffen, gaven we elkaar een wederzijds knikje. Intussen begreep ik dat haar lompen het matras vormden waarop zij sliep. In haar grote tas zat een deken, waaronder zij zich verstopte in een hoekje van de koude trap, haar slaapplaats.. 

Mijn mooie chocoladewinkeltje op de historische locatie had haar deuren in 1983 geopend, maar werd na vijf trouwe dienstjaren omgetoverd tot een proeflokaal voor jenevers en likeuren. Het was een moeilijke tijd geweest in een no go-area, ik had mijn hoofd maar moeilijk boven water kunnen houden. De Zeedijk-buurt trok veel junks en dealers aan, die je graag buiten hield. 

De wisseling naar een zaak waar alcohol werd geschonken, trok meteen een ander publiek van allerlei allooi aan, vooral volk dat mij wel eens zou vertellen hoe het aan te pakken. Met mijn dorpse mentaliteit bezat ik beslist nog niet de handigheid van een doorgewinterde kroegbazin. Maar met de zekerheid dat mijn gehaktbal minstens zo goed smaakte als een biefstuk, hoefde ik me geen zorgen te maken. 
In mijn mantelpak met coupe soleil kapsel bemerkte ik heus wel het verschil met collega's uit de buurt met een extra tip gleuf (een sexy jurk met decolleté tot aan de navel). Die gleuf mocht dan veel tip opleveren, evengoed trok het lastige geilaards en zuiplappen aan. 

Het werd kouder en kouder; de blik van herkenning tussen de vrouw bij de kerk en mij werd steeds intenser en een praatje kon niet uitblijven: ‘Noem mij maar Riny.’  De vrouw heette Maria. Uit onze gesprekjes bleek dat Maria’s geliefde man was overgegaan naar een andere wereld. Ze had een heel moeilijk, maar toch liefdevol leven geleid met haar zieke depressieve, verslaafde man. De rekeningen hadden zich opgestapeld door vele schulden, met huisuitzetting tot gevolg. 

Op een avond schuifelt Maria ongemerkt achter mij aan met haar grote tas, waarin haar hele hebben en houwen. Verlegen staat zij op de stoep voor het café en kijkt mij door het raampje aan. Dit valt een paar omhoog gevallen kakkers aan de bar ook op. Ze reageren geschokt op Maria’s verschijning en beginnen vervelende opmerkingen over haar te maken. 
Hoewel hun gedrag me enorm irriteert, laat ik niets merken. Met vlotte tred loop ik om de bar heen naar de voordeur, terwijl ik achter mijn rug verbaasde blikken en afkeuring voel. Ik doe iets wat zij niet hebben verwacht door de deur op een kier te zetten. 
‘Je mag wel binnenkomen. hoor’, zeg ik en Maria schuifelt voorzichtig, schuchter naar binnen. Het is doodstil als ik haar vraag: ‘Wil je iets Maria?' Mijn hart klopt vol verwachting als zij onwennig rondkijkt. Na een beleefd knikje tegen de stomverbaasde gasten, hoor ik haar warme stemgeluid voor het eerst pas goed. Met een rollende ‘r’ spreekt ze beheerst, bijna chic: ‘Mevrouw, ik zou graag een rode wijn drinken'.
De heren-kakkers draaien zich met open mond om, vallen bijna van verbazing van hun kruk. Op slag zijn ze nuchter. 
De vrouw neemt het glas rode wijn van me aan, maakt enkele sierlijk walsende bewegingen met het glas, de geur op snuivend. 
‘Dank u wel Riny, mag ik even gaan zitten?’ Middenin de zaak neemt ze plaats op het driepoot krukje aan de piano. 
De gesprekken aan de bar gaan ietwat ongemakkelijk verder; het drink tempo van de mannen ligt aan de hoge kant. Ineens klinkt een triomfantelijk: ‘Lekker, meid? Wil je d'r nog één?’ alsof ze de zwerfster al jaren kennen. Maar zij laat zich niet overhalen door hun verzoeken en onbenullige opmerkingen. 
Totaal onverwachts staat Maria op en neemt het woord. Met rode wangen vraagt ze de aandacht, onder het mom van voor wat, hoort wat, dankbaar als ze is met de rode wijn.
‘Ik zou graag een gedicht voordragen, ik ken het uit mijn hoofd.’ Na een flinke zucht hoor ik haar een tekst opzeggen die uit haar tenen komt. De voordracht is zo prachtig; ik voel rillingen door me heen gaan.


Waar werd oprechter trouw, 
Dan tussen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden? 
Twee zielen gloeiende aaneen gesmeed,
Of vast geschakeld en verbonden
In lief en leed.
De band die 't hare bindt
Der moeder aan het kind
Gebaard met wee en smarte,
Aan hare borst met melk gevoed
Zo lang gedragen onder 't harte,
Verbindt het bloed.
Nog sterker bindt de band 
Van 't paar, door hand aan hand 
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze jarenlang gepaard
Een kuis en vreedzaam leven leidden,
Gelijk van aard.
Daar zo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel,
En hart met hart te gader.
Die liefde is sterker dan de dood.
Geen liefde komt Gods liefde nader,
Noch is zo groot.

k

(Joost van den Vondel - fragment uit toneelspel Gijsbrecht van Amstel).

 

Zo mooi heb ik het gedicht nog nooit gehoord, de woorden komen diep uit haar ziel en ontroeren hevig. Perplex staan wij allemaal, als uit het veld geslagen. Stilte. 
Ze voegt er tot slot aan toe dat een gedenksteen van de dichter verderop in de Warmoesstraat hangt.
‘Vanavond slaap ik bij het Leger, ik ga nog even kletsen bij de Majoor'  zegt ze, frommelt in haar tas met haar complete huishouding en haalt er een boekje uit. ‘Ik ken ze wel uit mijn hoofd. Kijk, dit is voor u’. Ze overhandigt mij een rood dichtbundeltje. 
Ik bedank Maria voor haar mooie voordracht, ze neemt afscheid en verdwijnt linksom in het steegje, op weg naar de plaats waar ooit Majoor Bosshardt de opvang begon voor daklozen en zwervers. De sukkels-kakkers zitten met stomheid geslagen aan de bar. 
Maria heb ik nooit meer terug gezien. Het boekje dat ze me gaf is een kostbare schat, een dierbare herinnering aan een bijzonder moedige vrouw. Op de kaft staat: ‘de mooiste liefdesgedichten’.

 

01. Uit: Hartje Mokum, Riny Reiken.

* Geschiedenis drankje / Kletsmajoor - Boter likorette gaat over Vertrouwen

De namen in dit verhaal zijn aangepast om privacy te waarborgen.