15.   Leven in de Gloria  - deel II   (verhaal vervolg van 15. I)

 

De gasten van het Proeflokaal waren weliswaar welkom in hun tweede huis, ze bleven wel altijd op de werkvloer. Privé en werk werd meteen gescheiden. Hoewel door mijn werk in het Proeflokaal zeker ook bijzondere en dierbare vriendschappen zijn ontstaan. De stad bracht veel mensen van allerlei allooi, veelal uit binnen- en buitenland, buurtbewoners en dierbare oud- medewerkers. Mede door een juiste houding en discretie zou het broodnodige geld in het laatje komen, had ik al snel door. Ik was altijd weer dankbaar en blij als de gasten ná hun eerste bezoek weer het mooie voordeurtje van het proeflokaal opzochten, velen met het vervolg van hun serieuze levensverhaal, dus het onthouden van die verhalen hoorde zeker bij mijn taak. Het waren vaak complete soaps. Naar de tv keek ik meestal niet, dit was beslist veel spannender.

Anderen kwamen terug die zich graag discreet aan een tafeltje afzonderden. Zij verkozen liever de privésfeer. Minder werd ik daar zeker niet van, bovendien was iedereen welkom. Er waren wel huisregels want soms kostte het mij heus de nodige moeite en energie om het kaf van het koren te scheiden. Een merkwaardig voorbeeld is het volgende voorval, waar ik niet op had gerekend:

Op zekere dag, het proeflokaal was nét open, liep een man in keurig zwart kostuum met glanzend gepoetste schoenen naar binnen. Mijn kassa had ik zojuist in de lade gestopt, ik was nog alleen. Nadat ik de man vroeg wat hij wilde drinken, kreeg ik bloedserieus een volstrekt onverwachte mededeling: 'Het is voorbij, morgen ben je dood', zei hij. Mijn adem stokte in mijn keel. Zijn ogen kon ik niet zien, ze zaten verstopt achter een glimmende zonnebril.  'Waarom, vertel eens', vroeg ik hem, en voelde mijn hart bonzen. Ik deed mijn best om kalm te blijven en hoopte dat hij vooral geen vat op mij zou krijgen. Een stemmetje in mijn hoofd zei wel meteen dat iets niet helemaal klopte.

'Ik werk in opdracht, want ben een bekende crimineel', provoceerde hij. Het werd me al snel duidelijk dat de man niet spoorde, maar toch, je kan nooit weten. De hang naar 'het leven' hielp mij mijn zenuwen in bedwang te houden. Ik vroeg hem iets te vertellen over zijn interessante carrière, zodat ik hem gemakkelijker kon peilen, en om tijd te rekken. Ik had geluk, een volgende gast kwam binnen. De ‘crimineel’ zette daarop zijn donkere bril af; ik keek in de ogen van een domme, verdwaasde ziel. 'Geintje, hoor', zei hij en vertrok meteen.

De ontmaskering was gelukkig sneller gekomen dan verwacht. Het bizarre moment zal ik nooit meer vergeten. Wat een zielig figuur. Tja, ook een manier van ‘leve’.

's Avonds belde ik meteen met Rennie, één van mijn jeugdvriendinnetjes om haar het spannende verhaal te vertellen. Het voelde veilig en vertrouwd, net als vroeger, toen wij onze geheimpjes deelden. We giebelden en babbelden wat na. De volgende dag meende ik zelfs steviger met beide benen op de grond te staan. Hoe bizar kan het zijn; je staat alleen achter een bar in Amsterdam, in het hart van Mokum. Maar het gevoel van ze krijgen mij niet klein laat je niet meer los, je gaat door: Wat zal de dag van vandaag weer brengen? Kassa in de la, deur open en draaien weer...

Het is weekeinde, als ik op twee hoog even snel een eitje sta te bakken en er via het onderdeurtje beneden naar boven wordt geschreeuwd: 'We moete d'r uit, snel, een BOM!

Tegen de gevel van het achterlokaal was een verdacht koffertje geplaatst door een gek, die schreeuwend en met veel bombarie was weggerend. Op last van de politie Warmoesstraat werd iedereen verzocht meteen de zaak te verlaten en werd een rood-wit lint rondom het pand en het kruispunt gespannen.

Door de jaren heen had ik best veel lege attaché koffertjes naar het politie bureau gebracht. Na een beroving en eenmaal leeggeplukt. werden ze vaak op het pothuis gesmeten.

Hoewel ik er hier niet meteen iets achter zocht, weken wij toch met onze clientèle uit naar het bier café het Elfde Gebod op de Zeedijk. We namen het zekere voor het onzekere. Voor vertrek poetste ik wel nog even snel mijn tanden, terwijl iemand naar boven brulde: 'Kom nou, schiet op'! Naderhand vond ik dat nog even tandenpoetsen een vreemd moment, want welke gek grijpt er nou op zo'n moment naar een tandenborstel? Ik dus. Misschien wilde ik onbewust keurig gevonden worden als de bom toch zou ontploffen?

Toen ik beneden kwam, waren de gasten al met haastige spoed vertrokken. De voordeur stond wijd open, een paar agenten stonden op mij te wachten. Mijn oog viel op de kassa. Snel griste ik papieren biljetten bij elkaar, zonde om te laten liggen. Het was zeker genoeg om mijn gasten te kunnen trakteren bij mijn collega Ineke. Daar aangekomen bleek een alcoholische versnapering echt prima te werken om bij te komen van de schrik, dus dronk ik gezellig mee en was ook even vrij. De vruchtenbiertjes van de tap smaakten overheerlijk. Wij zaten veilig bij mekaar en wachtten in spanning af. Mijn gedachten dwaalden af naar mijn jeugd. Ineens wist zeker, mijn vriendinnetjes zouden zeker op mij hebben gewacht ! Natuurlijk kon ik dat van mijn vaste gasten niet verwachten, dat begreep ik wel. Een knagend gevoel overviel me en ik keek van een afstand naar de mensen aan de bar. Weer een soap! En ik zat er nog middenin ook.

Na verloop van tijd lag iedereen in een kronkel van het lachen, de meest idiote en schuine moppen werden getapt. De realiteit bracht mij snel weer met beide benen op de grond. Als gastvrouw voelde ik mij zeker verantwoordelijk, dus schoof ook ik aan...

Een hilarisch moment was toen 'bommetje' van de reclameboodschap op de tv (Peer Mascini ) binnenstapte om zijn biertje te drinken. Hij had echt geen flauw idee wat er zich zojuist had afgespeeld.

De sfeer sloeg snel om, toen tegen middernacht de straat weer werd vrijgegeven. Wat een geluk, het viel mee, het koffertje bleek leeg te zijn. Maar mijn vaste gasten wilden toch nog even terug naar eigen honk. Na opgelucht gejuich kregen wij nog een laatste ronde van het huis. We namen het drankje dankbaar aan. Na een vrolijke proost en 'leve in de gloria' voor de tijdelijke gastvrouw, gingen wij terug naar mijn proeflokaaltje. Voor het eerst stond ik lichtelijk beschonken achter de bar. Hier had ik niet meer op gerekend en het werd héél erg laat die nacht. De glazen werden volgeschonken met bier en jenevers. Eind goed, al goed.

 

Een vaste gast, goede vriend van het huis, stond een paar dagen na de bommelding in tranen bij mij aan de bar. Hij had een slopende ziekte onder de leden, zijn kwaal nam in rap tempo toe. 'Wil jij iets zingen bij mijn uitvaart, want dit is mijn leven', vroeg hij en ik ging ermee akkoord dat ik hiervoor vooraf een geluidsopname zou maken in een nabijgelegen kerk.

Het werd een stukje uit het Stabat Mater van Haydn vanwege zijn band met de heilige moeder Maria. Aan het eind van de dienst zong ik een ontroerende aria van J.S. Bach, 'Es ist Vollbracht'.  

Het liefst had ik live willen zingen bij een echt orgel, maar dat bleek niet mogelijk. Dus ging ik met een vaste gast, die de taak van geluidstechnicus op zich nam, op stap en maakte kennis met een organist. Na een poosje intensief oefenen waren we best tevreden. De laatste opname zou worden gespeeld tijdens de officiële plechtigheid.

Na afloop vroeg de aardige organist mij vriendelijk of ik de orgelklanken nog wilde horen. Hij speelde solo voor ons in een de lege kerk, ontroerend mooi. 'Is het u bevallen?’, vroeg hij mij, terwijl ik hem bij het afscheid dankbaar de hand schudde. 'Ahum, pardon, wilt u dat nog eens zeggen?' vroeg hij, ‘heb ik dat wel goed verstaan?' Beschaafd herhaalde ik mijn antwoord: 'Het is best heel moeilijk om te zingen bij pijpen hoor', hoorde ik mezelf zeggen en voelde meteen dat ik een enorme blunder maakte. Ik wist me geen houding meer te geven, kon plots geen woord meer uitbrengen. Ik werd nog roder dan een rode biet, voelde mij zó stom.

Meteen weer dacht ik aan mijn vriendinnetjes. Waren zij hier maar bij geweest, dan was het beslist anders gelopen. Zij zouden mij meteen in bescherming hebben genomen door het af te wimpelen, hadden iets gezegd als: 'Wat denkt ú wel wat ze bedoelt,  u voelt zich toch wel helemaal  goed?’ Ze zouden mij bloedserieus gered hebben en later gegierd van het lachen.

De organist nam iets te vrolijk lachend afscheid, zwaaide ons helemaal uit bij de enorme deuren van de kerk. Ik was helemaal van slag. Tijdens de crematieplechtigheid lagen mijn vaste gasten natuurlijk in een deuk. Ik heb het voorval nog lang moeten horen, de ‘geluidsman’ had zijn mond voorbij gepraat. Het verhaal sprak zich snel door in hartje Mokum. Het geplaag zou nog weken duren. 'Zeg Riny, zing je nog een potje voor ons vandaag?' Al kon ik er natuurlijk later zelf wel om lachen, er was echt geen ontkomen meer aan. Want mijn voordeurtje stond altijd open en als mijn neus eens iets anders stond, was het altijd drukker aan de bar. In hun ‘tweede huis’ bleven bepaalde lieden graag op de hoogte en hadden ook weer een spannend verhaal te vertellen. Bij hilarische momenten dacht ik steeds weer aan mijn vriendinnen. Wat miste ik ze toch, morgen meteen even bellen.

Zelf was ik wel het meest verbaasd over mijn verhuizing. Wat had mij toch bewogen om in Amsterdam te gaan wonen? Was het uit puur nieuwsgierigheid, of wilde ik als zovelen 'het leven' beleven in een vorm van anonimiteit? De eerlijkheid gebiedt, het laatste was waar. Na een moeilijke periode in mijn leven wilde ik op mijn manier ervan bijkomen. Maar, was ik daar nu echt zoveel mee opgeschoten?

Vroeger thuis moesten de mensen nog aanbellen, en je kon ook beslissen de voordeur dicht te houden. Hier was geen keuze en kwamen de mensen gewoon vanzelf naar binnen lopen. Leuke mensen, maar ook van die nieuwsgierigen waar je op bepaalde momenten even geen zin in had. Dus liet je niets merken en met een, 'Hé, wat leuk dat je er weer bent, wat wil je drinken, ja, wat een giller hé, oh, dus je had het al gehoord? Mooie dag vandaag', ging je weer door.

Eenmaal neergestreken in de intieme, Amsterdamse binnenstad, kwamen velen mij plots aan de bar hun verhaal vertellen: Toeristen, stedelingen, boeren, burgers en buitenlui. Veel mensen bleken mij vanwege mijn functie anders te zien en overal bij te betrekken, van huiselijke tot wereldzaken en gebeurtenissen die het daglicht niet konden verdragen. Al snel kreeg ik opmerkingen als: 'zeg, jij bent een vrouw van de wereld, wat denk jij er nou van?' Dat vond ik best raar; ik heb de uitdrukking altijd wat vreemd gevonden. Persoonlijk kon ik best wel stoer de hoek komen, geen probleem. Maar voordat ik een grap begreep, kon het wel even duren. Daar heeft onze barman Raymond mij vaak mee te grazen genomen. Dan belde ik hem onderweg naar huis op, blij dat ik de grap doorhad. De oplossing bleef echter wel onder ons. En dat is wereldklasse, in Amsterdam ben je dan een 'klasbak'.

Diep in mij schuilde nog steeds het poldermeisje, maar ik moet eerlijk bekennen, dat dit mij ook de nodige houvast gaf. Want daar had ik al van jong af aan geleerd, dat eerlijkheid het langst duurt. Dus maakte ik van mijn hart geen moordkuil. Uitsluitend als men mij bij een persoonlijk gesprek betrok, gaf ik mijn mening, sprak die uit. Een beetje aan de voorzichtige kant, want zo hield je de gasten aan de bar. Nooit zou ik mijn afkomst verloochenen, daar was ik juist trots op. Maar ik moest professioneel blijven, ook om mezelf te beschermen.

Veel bekenden uit de Wieringermeer polder zochten mij op in hartje Mokum. Wij vrouwen worden daar wel gekscherend de ‘polderkeien' genoemd. Mijn vrienden en vriendinnen hebben vele stormen getrotseerd. Een aantal zijn net als ik uitgefladderd naar andere streken. Wij hebben best hard geknokt om ons hoofd boven water te houden en weten elkaar nog steeds te vinden.

Mijn vriendinnetjes van toen zijn echte 'wereldwijven' geworden, ik ben zó trots op ze. Als ik in vertrouwen werd genomen in mijn Proeflokaal, kwam ik er achter dat er zo weinig verschil is.

In een stad wonen weliswaar veel meer mensen bij elkaar, maar onderschat vooral toch niet het leven op het platteland. Want het is daar echt hard 'buffelen', door weer en wind. De sociale controle kan je enorm helpen of drastisch verstikken. Maar in het hart van Mokum is dat echt niet veel anders.

In een interview vertelde ik ooit aan een journalist dat Amsterdam 'dorpser' kan zijn dan het dorp waar ik ben geboren. Vooral in de binnenstad.

Tijdens mijn carrière in hartje Mokum is mij opgevallen, dat mensen in de stad soms denken een streepje voor te hebben op mensen van buitenaf. Maar als je wat mondiger bent, betekent dat nog niet wijzer. Er speelt zich in een dorp vaak veel meer af dan je kunt vermoeden, dus eigenlijk net zo. In de zaak heb ik denigrerend gedrag altijd meteen de kop ingedrukt. Zo vond ik het altijd bijzonder vervelend als gasten van buitenaf meteen bij binnenkomst met hun accent werden nagedaan door lieden aan de bar.

In mijn optiek gaat het vooral om waar je 'roots' liggen en natuurlijk om wie je bent. Met welke waarden en normen leef je zelf, en wat heb je meegekregen? Persoonlijk heb ik ongelooflijk veel geluk gehad, op mijn pad kwamen zoveel lieve mensen. Ik ben daar bijzonder dankbaar om, had ze nooit willen missen.

Vrienden van toen en vrienden van nu: veel dank! 1

Ik wens jullie allemaal een lang 'Leven in de Gloria’.

Vriendschap is geen afspraak, vriendschap voel je...

Mijn jeugdvriendinnetjes Nynke de Vries en Betty Wigbout zijn de eersten die de sensatie van de 'klavertje drie' likorette gaan proeven, symbolisch voor alle vrienden.

De smaak van deze koffie-likorette is mild en stoer, het is een echte traktatie. Kom je ook eens een bakkie proeven? Vrienden zijn welkom...    

* De klaver drie heeft de vorm van een hart en wordt universeel gezien als de vorm van de vulva en billen van moeder aarde.

* In de waarzeggerij met speelkaarten staat klaveren drie voor geluk, bedrijf of onderneming. Planten van een zaadje (de circel is rond ).

 

15. -deel II  Uit: Hartje Mokum, Riny Reiken

* Geschiedenis drankje / Likorette Klavertje drie gaat over Hoop, Geluk en Liefde.