a12. Familietradities

 

In mijn familie staan tradities en gewoontes hoog in het vaandel. Onze lieve ouders Willem & Jantje vertelden hier altijd graag over aan ons ( zij kregen drie kinderen, Janneke, Riny en Wim).  Ik koester hun verhalen en zie het als een kostbare erfenis om erover te schrijven en ze door te geven.

Onze rijke familiegeschiedenis gaat vele generaties in de overlevering terug. Mijn voorouders, arbeiders en schaapherders, woonden in plaggenhutten in het Overijsselse en Drentsche veen. Een paar takken in de stamboom klommen op tot (keuter)boer.

Mijn overgrootmoeder had een bijzondere gave, zij was heldervoelend en stond velen met raad en daad terzijde. Zij werkte voor de kost als vroedvrouw en ‘schier schoonster’, hulp van een slager. Het ambacht van het slachten gaat in mijn familie vele generaties terug. Zodra het zwien’ (zwijn) was ‘gestoken’, moest het bloed ervan worden geroerd. Het was mijn grootmoeders taak en om de massa te vermengen met roggemeel en stukjes vet, of spek, zout en kruidnagel om bloedworst te maken.

Na het steken van het zwien werd traditioneel een borreltje gedronken. En daarna darmen en maag op een ‘wasplank’ schoongemaakt en bewerkt met een mes, dat stomp moest zijn om beschadiging van het vlees te voorkomen. 's Avonds werd het varken dan ritueel 'afgeslagen' en begon het slachtfeest voor de eigenaar, zijn gezin, de slachter en diens hulp. Dan dronken ze steevast een borreltje.

Alles van het zwien werd gebruikt: De overheerlijke uitgebakken kaantjes dienden als beleg op (zelfgemaakt) brood, als ook het uitgebakken vet. Het vlees van de botten was goed voor balkenbrij. De kop en het orgaanvlees werden gekookt en het vleesnat bewaard voor soep, waar gruttenmeel, zout, kruidnagel, kaantjes en anijszaad aan werd toegevoegd. Het vlees van de kop en de lever, met zout, peper, nagel, groes en havergort of rijst gemengd en in de dikke darmen gepropt en bereid tot leverworst. Het in stukjes gesneden vlees van de worst heette 'met', waar metworst vandaan komt.

De maag werd met azijn, laurierblad en kruidnagels in een stopfles gestopt voor de ‘weck’. De worsten hingen in de bijkeuken te drogen aan de ‘wiemel', een haak, waarmee traditionele 'droge worst' werd verkregen. 1

Mijn grootouders van vaders kant verbouwden groente langs de Oranjevaart. Zij verkochten kool, bieten en aardappelen aan schippers van trekschuiten. Bijna alle groente werd in eigen tuin verbouwd.

Mijn grootvader werkte bij de aardappelmeelfabriek in het dorp Oranje in Drenthe. Bij zijn functie hoorde een klein arbeidershuis met tuin. Het was een drukte van vanjewelste om de tuin te onderhouden en het eten te bereiden; de gezinnen waren groot, vele mondjes moesten worden gevoed.

Mijn grootmoeder en haar kinderen hielpen mee met spitten, zaaien, oogsten, het schoonmaken en bewerken van de groente, het pekelen van zuurkool en snijbonen om stamppot van te maken. Komkommers werden ingemaakt in zuur en bewaard in grote stenen of glazen potten. Groente en fruit - appelmoes en jam – werd in kleinere weckpotten ingemaakt. De hele voorraad werd vervolgens zorgvuldig in de kelder bewaard om de herfst en winter mee door te komen.

Mijn grootouders van moeders kant woonden in Zwiggelte; opa was een keuterboer, een kleine, zelfstandige boer. Achter het woonhuis hadden ze een schuur, de deel. In de tuin verbouwden ze groente, aardappelen en hadden een grote boomgaard. Het hele gezin werkte mee om bij te dragen in de kost. Geiten, varkens en biggetjes liepen er vrij rond; hanen en kippen zaten aan de andere kant van de kapschuur. Meestal een stuk of vijf koeien, en een pink of drie.

Om de aarde vruchtbaar te houden, werd de mest van het vee met de uitwerpselen uit de poepdoos over het land gestrooid. De traditionele, merkwaardige wc herinner ik me heel goed: een grote houten ton met houten ronde deksel om het gat mee af te sluiten.

Van berkentakken maakte opa bezems voor eigen gebruik of de verkoop.

De mannen uit de omgeving jaagden vaak in het nabij gelegen bos. Dan lagen dode konijnen op kranten op de keldervloer te wachten op de slacht, waar bouten en stoofpotten van werden gemaakt voor de feestdagen. Oma bakte graag, zo maakte zij in een enorm groot blik overheerlijk geurend rozijnenbrood, dat rijkelijk met roomboter werd besmeerd. Wij kinderen vochten om de uiteinden, de 'kapjes'.

Opa hield van zijn dagelijkse borreltje en pruimde tabak. Op grote afstand kon hij spugen in zijn kwispedoor, een beker met dekseltje dat hij opende en sloot met zijn duim.

Het was altijd gezellig knus als het borreluurtje aanving. Al op jonge leeftijd kregen we advocaat met heerlijke slagroom van de melk van eigen vee.

Van rode bessen werd wijn gemaakt. Er stonden veel soorten van in de boomgaard, zowel als appel- en perenbomen. Uit restanten van vruchten, gemixt met brandewijn, ontstond een overheerlijke bowl, uitsluitend bedoeld voor verjaardagen en oud & nieuw.

2Oliebollen met krenten en rozijnen, en appelflappen werden zelf gebakken. En daar paste een lekker drankje bij: in een grote kom met inmaakbrandewijn werden appels ingelegd en kaneelstokjes toegevoegd. Na de rijping het mengsel gezeefd en ontstond een 'appel-kaneel' distillaat.

Dankzij deze erfenis en kostbare familie tradities is mijn liefde voor het bereiden van likeur en likorette ontstaan. Een dankbare proost op:

 

 

Eten en drinken,

wat een rijkdom,

proeven is kunst.

Het verjaagt de slaap,

en maakt de zinnen bekwaam

om van alles te beginnen.

 

Uit: Hartje Mokum, Riny Reiken. * Geschiedenis drankje /  Appel-Kaneel  likorette gaat over Rijkdom. De namen in dit verhaal zijn authentiek.