13. Grapjassen en serieuze zakenz

 

Wat een kolereherrie! Midden in de nacht word ik wakker van geschreeuw en gebonk op de voordeur van mijn pand. Ik spits mijn oren. In deze omgeving van de Zeedijk is het nooit rustig; vaak hoor je lawaai van stomdronken groepjes mensen, vrijgezellenpartijtjes. We zijn wel wat gewend in de binnenstad en in mijn zaak heb ik ook regelmatig met van die ‘grapjassen’ te maken:

De dag ervoor nog, toen er zo’n vervelende klier aan de bar stond, een grote man met een kale kop die meende een bestelling te kunnen doen met: ‘Zooo, vuile kankerhoer, geef mij maar een biertje.’ Als ik hem zeg meteen weg te gaan, geeft de man geen gehoor aan mijn verzoek. Nadat hij nogmaals dreigend de bestelling plaatst, weet ik zeker dat de man op rottigheid uit is. Ik moet hem kwijt, en wel meteen. Ik twijfel of hij een roes heeft van alcohol, hij staat nogal wankel op zijn benen, heeft een verdwaasde, boze uitdrukking op zijn gezicht. Razendsnel grist hij een asbak van tafel en slaat daarmee keihard op de bar.

Meestal lukt het me wel om vervelende gasten weg te werken, maar bij deze

dreigt het een probleem te worden. Maar ik heb mazzel: in het achter lokaal

heeft een vaste klant door wat er gaande is en alarmeert de politie

Warmoesstraat. Tegen de tijd dat de ‘grapjas’ aan de bar staat te bonken en als een wilde tekeer gaat, weten de agenten hem in de greep te krijgen, waarna ze hem snel en vakkundig in de boeien afvoeren. Hardhandig wordt hij in het politiebusje geduwd. 'Vast en zeker crack', hoor ik ze nog zeggen.

Een week later wordt ik uitgenodigd op het bureau om op verhaal te komen

en krijg een voorlichtingsflyer mee over crack. Daarin wordt aangeraden tegen

iemand die de drug gebruikt te fluisteren, want alles schijnt bij een gebruiker in

het brein duizend keer te worden versterkt, vooral geluid.

Een dag later, als de man is uitgeraasd, verschijnt hij opnieuw voor mijn

bar maar herkent me niet. Als ik me er met een smoes van af maak door te

zeggen: ‘sorry, we gaan zo sluiten’, vertrekt hij wonderwel rustig.

Die nacht, door het geschreeuw en gebonk op de deur, denk ik meteen weer

aan het voorval van de vorige dag. Het zal hem toch niet weer zijn? Ineens hoor

ik mijn naam roepen met een lange uithaal: ‘Ri-ny, Ri-ny!’ en schiet uit mijn bed,

trek het raam open, hang ver over de vensterbank heen om te zien wie beneden

zo staat te roepen: Voor de deur zie ik een jongen, een vaste klant.

Hoewel ik de deur op dit tijdstip nooit opendoe, maak ik voor hem een

uitzondering. Hij komt immers altijd op zaterdagavond langs, ook afgelopen

avond, en het was weer een dolle boel. De jongen wil zich in het café wel eens

voordoen als een diamantair of directeur. Als de andere gasten hem dan om

advies vragen, krijgen ze pas door hoe hij daar met kwinkslagen onderuit

komt. Dit levert altijd hilarische momentjes op, maar wij laten hem wel altijd in

zijn waarde.

Een keer werd hij vreselijk boos nadat een moppentapper in het gezelschap aan hem had gevraagd: ‘Zeg, hoe kom je van platjes af, weet jij dat soms?’ Toen het antwoord uitbleef en bleek dat de jongen echt niet snapte waar het over ging, werd de vraag herhaald. Uiteindelijk gaf de moppentapper zelf antwoord: 'met een trappetje!' Iedereen in de zaak moest daar vreselijk om lachen, behalve de jongen. Hij vertrok geen spier, dus bleek dat hij de (flauwe) grap nog steeds niet begreep. Waarop de moppentapper reageerde: 'Hé, je weet toch wel wat platjes zijn?' In zijn onmacht gooide de jongen er ineens uit: 'Dat weet ik heus wel, sukkel, want moe heeft ze ook, en ze geven mij weer eens de schuld'. Het hele café lag dubbel, maar het was serieus: altijd bleek de jongen bang geweest op zijn kop te krijgen. Zelf vertelde hij de raarste verhalen, en moest wel een beetje tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Al was zijn moeder hoog bejaard (ver in de tachtig), toch moest en zou hij blijven meepraten.

'Volgende week leg ik het je wel uit’, beloofde ik hem. Maar een week later kwam hij terug, en bleek er zelf achter gekomen: ‘Mij hoef je het niet te vertellen, jongens, dat platjes schaamluis is', zei hij met zwaar Amsterdams accent. Echt een type waar je over zegt, ‘hij mist er eentje', een tikje onnozel. En die nacht zie ik dat hij meer mist, namelijk zijn schoenen; hij staat op blote voeten op de stoep.

'Nou goed dan, kom maar even binnen, maar waar zijn je schoenen?' De jongen is helemaal in de war, en gooit zijn verhaal er in een adem uit. 'Ik was bij een hoer, maar moest meer betalen, anders kreeg ik mijn schoenen niet terug. Toen werd ik boos, heb het raam kapotgeslagen om te ontsnappen. Ik moet aangifte doen, ga jij mee?'

Tjonge, tjonge, denk ik hoofdschuddend: Houdt het dan nooit op? Het lijkt me geen goed plan, straks komen ze nog hier verhaal halen ook en dan liggen mijn glas-in-lood raampjes er uit. ‘Dat doen we dus mooi niet', zeg ik. Na een poosje kalmeert hij, en staat op. In een kast, waar gevonden voorwerpen uit het café worden bewaard, ligt nog een paar slippers. ‘Hier, draag die maar. Maar volgende week vrijdag wel terugbrengen, want dan komt een pianist ze ophalen.’ Beteuterd vertrekt hij op de slippers. Waarschijnlijk is hij over zijn grenzen gegaan. Voor extra verleende diensten moet je bij de dames betalen, een kusje hier en daar kost meer geld. En daar gaat je zuurverdiende loon.

Trouwens, de herkomst van de slippers is ook een apart verhaal. Dat gebeurde toen de pianist, die wel vaker een deuntje komt spelen, plotseling voor me stond met zijn haren in de war als touw, gehuld in een oranje deken waaronder hij niets aan had, en zomerslippers aan zijn voeten. Ik zag dat hij weer manisch was en vroeg: 'Wat kom jij in hemelsnaam doen?' 'Piano spelen', zei hij. Ik opende de piano, en terwijl hij er achter ging zitten spelen, belde ik zijn partner. 'Hij heeft zijn medicijnen niet ingenomen’, vertelde deze. Het duurde niet lang tot de partner zijn vriend te hulp kwam, met onder meer een paar meegebrachte schoenen. De twee vertrokken, maar waren van de schrik de slippers vergeten.

Nu komen de slippers goed van pas. En ik denk: Morgen is het zondag. Nu even geen grapjassen meer, deur dicht!

 

 

13. Uit: Hartje Mokum, Riny Reiken. * Geschiedenis drankje /  Zuurporem - Citroen likorette gaat over Leedvermaak. De namen in dit verhaal zijn authentiek.