11. Wachten, 'When Irish eyes are smiling'

'Hello, can we come in?

Of course you can, please take a seat', hoor ik mezelf zeggen.

Twee hoogbejaarde mensen schuifelen voorzichtig naar de stamtafel. Ik zie een alleraardigste gezicht met rode appelwangetjes en een groene pet scheef op het hoofd. De man kijkt mij verwachtingsvol aan. Zijn vrouw draagt een lang wol gebreid vest met bijpassende muts met grijze lussen.

We raken meteen gezellig aan de praat. Al geruime tijd had het echtpaar zich verheugd op hun reis naar Amsterdam. Op hun trouwdag hadden ze elkaar beloofd Nederland te bezoeken als de mijlpaal zou worden gehaald. Vanuit de hoge bergen in Ierland zouden ze afreizen naar onze mooie stad om vandaaruit door de polders te trekken om de molens de zien. Jarenlang was dit hun grote droom.

Vandaag was dé grote dag, precies zestig jaar geleden waren ze in het huwelijksbootje gestapt. Aangemoedigd door hun geweldige love story, toverde ik de toepasselijke likeur Bruidstranen tevoorschijn, draaide aan het klokje op de fles, en het ballerinaatje danste rond, op de wijs van de huwelijksmars. Het echtpaar keek verrast. Het bewonderde de draaiende danseres en de dwarrelende stukjes bladgoud en zilver in de likeur als de bruidstranen. Ze hielden de fles aan hun oren. Ik serveerde de likeur uit in twee mooie sierglaasjes en liet het paar proosten op originele, oud Hollandse wijze: Eerst de armen in elkaar voor het eeuwig verbond, vervolgens een innige kus. Daarna, tijdens het nippen, als de lippen het glas raken, sprak ik traditiegetrouw in een korte speech het 'volmaakt geluk' uit. Voor deze gelegenheid uiteraard mét Ierse proost, Sláinte.

De andere klanten, jongens aan de bar kregen hier al snel een luchtje van; ze hielden immers altijd alles in de gaten en keken nieuwsgierig toe. Binnen no time vierde iedereen het feest mee. Het stel zat te stralen, voelde zich thuis. 'Can I play the piano?' vroeg de Ierse man.

'I hope you can', zei ik en opende de piano (die standaard op slot zat om te voorkomen dat weer een zoveelste vlooienmars werd beoefend of dat bier langs de pianotoetsen zou stromen). De oude baas zwaaide met een sierlijke omhaal zijn colbert over een barstoel, zijn vrouw trok met een ruk de wonderbaarlijke muts met de lussen van haar hoofd, een weelderige bos lange, grijze krullen tevoorschijn toverend.

Met verbazing luisterden wij naar het gezang van hun liefdeslied, 'When Irish eyes are smiling'. Het stel keek elkaar smoorverliefd aan, diep in de ogen. Vervolgens pingelde de bruidegom er lustig op los en danste zijn liefste snelle pasjes op de Ierse muziek op haar gebreide sokjes. Ze hadden alleen nog aandacht voor elkaar, het was pure chemie. Hier hadden ze dus al die jaren op gewacht. Hun energie stroomde door de zaak. Zelfs de jongens aan de bar leken hier gelukkig van te worden. Voor mijn gevoel moest dit wel echte liefde zijn. De charme van de pianist was verpletterend.

Geregeld klonken de glazen op een vreugdevolle dronk. Het bruidspaar zelf lustte ook best wel een glaasje, maar zakte niet door. Ineens stond de man op, hielp zijn geliefde in het lange, grijze vest en gaf haar hoffelijk een arm:

'I'll  take you home, Kathleen.Tonight you are mine'.

Zo vertrok het paar, na het hoogtepunt van de muziek. Mijn hart smolt. Wij zwaaiden de gasten vrolijk uit, namen afscheid alsof we ze al jaren kenden. Een vaste gast in de zaak was Jaap uit Purmerend. Hij keek meestal in het rond, hij had zo zijn ideeën over de liefde. Wij namen elkaar graag op de hak. Deze Fries was voor mij tevens een baken, waar ik altijd blind op vertrouwde.

Soms moet je even achter de bar vandaan, of er dient zich een situatie aan waardoor je liever niet alleen bent. Op zulke momenten ben je dankbaar met een betrouwbare stamgast in de buurt, zo iemand als Jaap. Toen ik weer achter de bar stond, keek hij mij begripvol aan, zette zijn ogen op spleetjes en keek geniepig. Daarna zei hij lacherig, op z’n Jaaps: ‘Ja, ja,  Ik zie het al Riniee.... je hebt het weer! Dit is vast geen toeval, maar dat leg ik later wel eens uit!’

Ineens was het stil. Iedereen zat ineens in gedachten verzonken. Ik gooide snel een balletje op over de aanschouwde liefde van het oudere Ierse paar:

'Ja jongens, zó kan het dus ook gaan in het latere leven. En hoe staat het met jullie dromen?’ 

'Ach, aan mijn lijf geen polonaise', verzuchtte Fredje, terwijl hij demonstratief diep in zijn glaasje keek. Zijn ex-liefde woonde in het verre Thailand. Nadat hij haar gouden oorringen met echte diamantjes cadeau had gegeven, was de verkering plots uitgeraakt. 'Vrij-gezellige' vrijgezellen hadden hem er op attent gemaakt, dat die aantrekkelijke vriendin van hem toch wel een opvallend zware stem had. Daardoor was hij beter gaan opletten. Voor hem hoefde het daarna echt niet meer. Zijn buurman Jan deed daarop een extra duit in het zakje:

'Mijn vriendin is een avondje stappen, maar die heeft nu al heimwee naar mij. Weet je, ze kan me niet missen en ligt meestal klaar voordat ik thuis ben. Ons seksleven is echt he-le-maal fantastisch, kan ook niet anders met zo'n lijf'.

Trots sloeg hij zichzelf op de borst, keek naar zijn smoezelige, ouderwetse oranje bandplooien ribpantalon en wees op zijn gulp: ‘Zij heeft echt geen klagen, mijn Mona kan echt niet wachten. Zij wil wel iedere dag.’

Bij het uitspreken van haar naam, als het toetje, klonk luid gelach. De mannen bleven nog een poos tegen elkaar opbieden, terwijl de biertjes lustig achterover werden geslagen. Ik zou deze heren zeker op tijd hun consumptie bonnetjes presenteren. Behalve Jaap. Hij bleef altijd als laatste. Wij dronken er altijd samen nog één, dankbaar als ik was met zo’n fijne, nuchtere, diepdenkende stamgast.

Nog de week daarvoor had Jan, de baard dragende opschepper van het stel, de laatste trein naar de kaasstad gemist. Eén van mijn favoriete stamgasten, Bert had met hem te doen en hem onderdak verschaft. Maar daar kon hij echt nooit meer terecht, sinds hij de vorige keer diens scheerapparaat had gebruikt. 'Getverderrie! ' had zijn kroegmaat geroepen toen hij hem kwam opzoeken in de buurt. 'Wacht maar, Ik krijg die viespeuk te pakken'.

Op een ruzie zat ik niet te wachten, ze moesten het zelf maar uitzoeken. Overal, maar niet hier. Mijn bar was geen wachtsalon en ik zou die avond de zaak op tijd sluiten. Waarschijnlijk viel de opschepper als hij eenmaal thuis was, alleen al bij het zien van een kussen als een blok in slaap. Stiekem hield ik de klok in de gaten, wat tikte de tijd langzaam door.      Ik wilde nog zo graag even de sfeer voelen van het Ierse paar dat mij écht had geraakt. Ik kon niet wachten om naar boven te gaan. En zo wachtte ik om weer even alleen te kunnen zijn, tijdens die spaarzame uurtjes in de nacht, waarin ik mijn dag rustig kon overdenken…  

Maar eerst moest ik nog afscheid nemen van 'de meute', daarna standaard nog een 'luikensluitersbiertje' drinken met Jaap (die de taak van ‘luikensluiter’ op zich had genomen na het overlijden van onze stamgast Willem Buis, de bodypainter. De zware luiken moesten aan de smeedijzeren haken worden gehangen die aan de gevels waren bevestigd).

Het was altijd een gezellig moment, die laatste ronde van de dag, mijn eerste en laatste slokje. Steevast in het gezelschap van gast Jaap en van zijn kameraad, onze stamgast Andreas. Wat een bijzonder stel. Wij wachtten dan tot iedereen weg was, de laatste jaren voegde ook Paul zich bij het clubje, quality time, luiken dicht! 

 

Dichter Thom de Lagh, die samen met Bas Marree het nieuwe theater Café Mascini op de Zeedijk opende, schreef een gedicht over Willem, Halleluja.

 

Halleluja

 

het gezang draaft zachtjes weg

door de leegte van de Warmoesstraat

de Olofspoort, de Zeedijk

nooit meer een

volgende afspraak

een volgend stamlokaal

 

op zoek naar warmte, een gesprek

op zoek naar

geen lawaai

 

de muren vangen de herinnering

van zijn grijze haren

zijn laatste fluitje

de grijze baard

waarmee hij geboren leek

 

zwanger van zijn stem

hangen wolken boven onze

buurt

ons leven

ons wezen

 

zwanger van zijn 

licht dat nog gisteren

zijn schijnsel wierp

zijn licht dat ook morgen nog

zijn echo

kent,

lang, lang nadat wij tot

stilte zijn verworden

 

dag Willem,

dag

 

Thom de Lagh

25/V/07

 

* Uit Hartje Mokum, Riny Reiken

- Gebbetje 11. Wachten, 'When Irish eyes are smiling'

De namen in dit verhaal zijn authentiek.