( For English, see page end)

 

09. De Willems en de prinsen van Oranjes

 

Willem van Oranje

Mijn vader Willem deed zich wel eens voor als een ‘Oranje’, wanneer hij met mijn moeder op bezoek kwam in proeflokaal de Olofspoort. Ze kwamen graag: Mama lepelde dan een advocaatje en Papa nam zijn borreltje.

Toen een persfotograaf in het café vroeg naar zijn naam, antwoordde papa Willem: ‘Ik ben Willem van Oranje'. Trots als hij was op zijn geboorteplaats Oranje (Drenthe). Daarop maakte de fotograaf een prachtige foto van papa, met rode wangen en zijn persoonlijke jeneverfles in de hand. De foto verscheen in een PS bijlage van Het Parool. De fotograaf was wat in verwarring geraakt door de ontmoeting met een ‘echte’ Oranje.

Maar in de jaren 1990 is mijn proeflokaal werkelijk geregeld bezocht door koninklijk gezelschap, de prinsen van Oranje. Een goede relatie van onze ‘vliegclub’ had ze geïntroduceerd. Die bezoeken waren best spannende happenings die je niet vaak meemaakt. Nadat het prinsenbezoek eenmaal was opgemerkt, kwamen de paparazzi langs in de hoop een kiekje te kunnen vastleggen. Het was nog een hele toer om nieuwsgierigen buiten te houden (al namen de prinsen ook wel bodyguards en studievrienden mee ter bescherming).

Het gezelschap hield zich meestal op in het achter lokaal Het dorstige hart. Zo kwam (toen nog) prins Willem Alexander diverse keren bij ons op bezoek. Hierover staat een mooi verhaal (hoofdstuk Oranje) in het boek over de Amsterdamse Wallen. Dit begint bij weer een andere Willem, de kunstenaar en stamgast. Bij het proosten op elk getapt fluitje, riep Willem steevast 'Halleluja, voor koningin en vaderland'. Terwijl Willem er geen weet van had, deed hij dit ook terwijl prins Alexander met zijn gezelschap in het achter lokaal zat. Toen Alexander dit hoorde, vond hij het zo fantastisch, dat hij na een volgende heilwens naar voren liep om Willem hartelijk te bedanken om vervolgens met hem te proosten op koningin en vaderland. Nadat Willem van de schrik was bekomen, hield hij het voortaan kort. Trots riep hij enkel: 'Halleluja!'

 

De meeste indruk met een echte andere ‘Oranje’ heeft toch nagelaten de avond van de heilige processie van de ‘Stille Omgang.’ Eeuwenlang wordt dan in de nacht van zaterdag op zondag na 15 maart het ‘Mirakel van Amsterdam’ in de binnenstad herdacht.

 

Op 15 maart 1345, zo vertelt de overlevering, lag een man in een huis aan de Kalverstraat ziek op bed en vreesde te sterven. Hij liet een priester roepen om hem te bedienen en van het Heilig Sacrament (de hostie) te voorzien. Na het nuttigen van de hostie moest de zieke overgeven en werd het braaksel in het brandende haardvuur van zijn kamer geworpen.

De volgende dag bleek dat hij niet alleen de hostie onbeschadigd had uitgebraakt, maar bovendien dat het vuur de hostie niet had aangetast. Was dat nog niet opmerkelijk genoeg: de hostie die de volgende dag door de priester van de Oude Kerk weer was opgehaald, keerde vanuit de Oude Kerk op wonderbaarlijke wijze terug in het huis van de man. Dit herhaalde zich daarna nog eens tweemaal.

Het gold als een ‘bevestigingsmirakel’, waarmee bedoeld wordt dat men in de verschijnselen de hand Gods diende te herkennen. De plaats, waar het eerste mirakel was gebeurd, moest worden ingericht als heiligdom. De betrokkenen handelden hiernaar en verbouwden het huis met haardstede tot een devotie- of bedevaartkapel, de kapel van de Heilige Stede.

w 23Ook prins Friso, Willem Alexanders broer, besloot eens met relaties een kijkje te nemen. Het proeflokaal, met uitzicht op de Warmoesstraat, is daar een geschikte locatie voor. Ietwat verscholen stond prins Friso stil naar de passerende mensenmassa te kijken. 

Jong tot oud loopt mee in deze heilige nacht. Het is een prachtig schouwspel; je ziet boeren met petten op, nonnen, en nieuwsgierigen. Het schijnt dan op de Wallen extra druk te zijn, ook bij de dames van plezier.

Regelmatig zag je mensen uit de buurt terug. Zoals de oudere heer die altijd als een oppasser of bewaker op de stoep voor In de Olofspoort stond om de gelovige menigte de juiste kant op te sturen. Hij droeg een bril met dikke glazen (oneerbiedig bekend als 'jampot'). Voorafgaand aan zijn werkzaamheden maakte hij dan even in het café een gezellig praatje. Hij en de dienstdoende agenten kregen van ons ‘bakkies leut’ om de avond mee door te komen. Het was gebruikelijk dat de processie in stilte voorbij kwam; wij hielden hier in de rumoerige buurt met het café rekening mee.

In het proeflokaal verliep alles die avond rustig, de gasten gedroegen zich gepast. Ineens kwam prins Friso van buiten naar me toegelopen en vroeg wie ‘de oppasser’ was bij ons voor de deur:

'Iemand uit mijn gezelschap meent hem te herkennen, weet u wie hij is?'

'De man met de brillenglazen? Ik weet dat hij heel aardig is, hij wijst de menigte de weg, elk jaar', antwoordde ik.

Terwijl het werk achter de bar doorging en ik door het raam naar buiten keek, zag ik dat een jongen - vriend van de prins - en de man met de brillenglazen elkaar omarmden. Wat er precies gebeurde was me niet duidelijk, maar het was zeker een geëmotioneerd tafereel op de stoep. Beide mannen waren in tranen. Ik vroeg ze of ze aan een tafeltje wilden gaan zitten in het achter lokaal. Later hoorde ik het verhaal van de man met de bril:

De jongen was als kind uit huis geplaatst en terecht gekomen in een opvanghuis. Zijn pleegouders hadden jarenlang kansarme kinderen onderdak gegeven, hun levensmissie. De jongen kon echter maar een paar jaar bij ze verblijven, om hechting aan het gezin te voorkomen. Hij werd verplaatst naar elders, maar was zijn eerste pleegouders nooit vergeten. En uitgerekend in deze nacht van het Mirakel, de Stille Omgang, vonden ze elkaar terug op de stoep in de Nieuwebrugsteeg.

Na het voorval kwamen de man en zijn ‘pleegkind’ nog jarenlang gezamenlijk naar de processie en in de Olofspoort. Zo kreeg het Mirakel een diepere betekenis, een wonder was geschied. Na een aantal jaren later kwam de pleegzoon alleen langs om mij persoonlijk te vertellen dat zijn 'papa' was gestorven. Dit ontroerde mij enorm.

 

Diezelfde avond had ik ook mijn buurjongen van vroeger herkend, een onverwachte verrassing. De jongen had bij ons tegenover gewoond in Wieringerwerf, waar ik ben geboren. Toen ik uit het dorp vertrok, zat hij als jochie nog in de eerste klas van de lagere school. Inmiddels was hij aardig uit de kluiten gewassen, liep stage bij de politie en droeg een stoer politie-uniform.

Door al die gebeurtenissen op die ene avond kreeg het Mirakel van Amsterdam een nog diepere betekenis. Sindsdien steek ik ieder jaar een extra kaarsje aan. Ook voor prins Friso die jaren later een noodlottig ongeluk kreeg.

 

aNa de Stille Omgang ging ik dan naar het klooster van de zusters Augustinessen in de Warmoesstraat. Ik verheugde me altijd de zusters te bezoeken, maar was meestal te laat voor de mis vanwege het opruimen en afsluiten van het proeflokaal, Vaak hielpen gasten een handje mee en gingen dan met mij mee.

De liefdeszusters vingen jarenlang vrouwen op die in erbarmelijke toestanden leefden. In de kapel van het klooster gaven zij onderdak en hielpen de vrouwen verder, om weer zelfstandig te kunnen functioneren in de maatschappij.

Aan dakloze mannen deelden zij bij de voordeur brood uit en de mannen konden dan bij de ingang deelnemen aan het gezamenlijk gebed.

Zelf mocht ik vaak zingen bij de zusters tijdens de nachtmis. Met het Proeflokaal en vrienden hebben wij het benefiet concert 'Geef de zusters een lift' georganiseerd, om een lift aan te kunnen leggen in het klooster. Het weerzien met de zusters gaf zoveel warmte.

De zuster Augustinessen worden nog steeds gemist in het centrum van Amsterdam, waar zij sinds de middeleeuwen gewoond en gewerkt hadden. Op de foto met zuster G. Wiltox.

 

 

09. Hartje Mokum, Riny Reiken. Namen in dit verhaal zijn authentiek

*Geschiedenis drankje Halleluja / deze kruiden likorette gaat over Tradities. .

 

* Zie onder Gebbetje bij Gedichten:

F. Opnieuw, een gedicht voor de zusters Augustinessen door Riny Reiken.

 

* foto: Flessen van clubleden: papa Willem, zijn zoon Wim en schoonzoon Piet Ruijs.

 

 

09. The ‘Willem’s’ and the Princes of Orange (Oranje)

William of Orange

Sometimes, my father Willem pretended to be a royal ‘Oranje’, when he and my mother visited the ‘Olofspoort’ tasting café. Mama enjoyed an ‘Advocaatje’ (eggnog)  and Papa his jenever (gin). Once, when a press photographer in the cafe asked who he was, papa Willem replied: ‘I am Willem van Oranje’. He was so proud being born in the village of ‘Oranje’ (in the Drenthe province). The photographer then took a nice photo of him, with red cheeks, and his ‘personal’ gin bottle. This photo later appeared in the Amsterdam newspaper Het Parool; the photographer had been somewhat confused upon meeting a ‘real’ Orange.

Yet in the 1990’s, my tasting café actually was regularly visited by a royal guest, the prince of Orange, Willem Alexander. He was introduced into the tasting café by a member of our ‘flying club’. His visits were exciting rare happenings. As soon as the prince's visit was noticed, the paparazzi came by, hoping to capture a snapshot in the café. It was quite a task to keep the curious ones out of the place (even though the prince’s company included bodyguards).

The prince and his company usually resided in the back room, ‘the thirsty heart’. The future king Willem Alexander visited us several times. A nice story about one has been published in the ‘Amsterdam Red Light District’ book. This starts with another ‘Willem’, the artist, who was a regular guest. When toasting, he always used to shout 'Hallelujah, to Queen and Fatherland!’, and he did as well when being not aware of the royal presence in the back room. But Willem Alexander heard his shout, and found this so fantastic, that he came forward to thank Willem heartily and toasted with him to Queen and Fatherland again.

After Willem was recovered from the shock meeting the real prince, from then on he kept his toast short: proudly he shouted ‘Hallelujah!’

Yet the most impressive meeting with a real prince of ‘Orange’ was during the evening of the sacred procession, the ‘Stille Omgang’. For centuries, this ‘Miracle of Amsterdam’ is commemorated in the center in the night around March 15.

 

According to the tradition, in 1345, on March 15, an old man in his house in the ‘Kalverstraat’ was lying ill in bed, in fear he was going to die. He called for a priest for the ‘blessed Sacrament’, the host. After consuming the host, the old man vomited; and his vomit was thrown into the fireplace.

The next day, it turned out that the host the old man had vomited, had not been burned, but was undamaged. Then, this host was picked up at the house by a priest who took it to the ‘Old church’. But the host returned to the man’s house in a miraculous way. This happened twice. It was regarded a ‘confirmation miracle’ by the community, meaning that people had to recognize God’s hand. The place where the first miracle had happened, should be set up as a sanctuary. Those involved acted accordingly and converted the old man’s house into a devotional pilgrimage chapel, the chapel of the Holy City.

Another prince, Prince Friso (Willem Alexander’s brother) once decided to take a look at the pilgrimage, with his friends. They chose the tasting café - with a view on the Warmoesstraat - as a suitable location. Here, somewhat hidden, Friso stood silently watching the passing crowds…

Old and young people join in this holy night. A special gathering; one sees farmers with caps, nuns and the curious. It is more crowded than ever in the Red Light District, with the ladies of pleasure.

Neighborhood people join in as well, one sees regularly, such as the elderly gentleman who always used to stand on the sidewalk in front of the ‘Olofspoort’ café, to direct the faithful crowd in the right direction. He wore thick glasses. Before starting this work as a volunteer guard, he had a chat in the cafe. We gave him and the police officers on duty a cup of coffee. The procession passed by in silence and we tried to stay silent as well in this crowded area.

That evening in the tasting café, everything went smoothly; the guests behaved appropriate. Suddenly, Prince Friso walked up to me from outside, and asked me who the ‘guard’ was at our door:

‘Someone near thinks he recognizes him’, he said: ‘do you know who he is?’

‘The man with the glasses? I just know he's very nice, he guards the crowd every year’, I replied. I continued my bartender work and when I looked out of the window, I saw a guy - a friend of the prince - and the man with the thick glasses embracing each other. It was not clear to me what exactly happened, but it was certainly an emotional scene. Both men were in tears, so I asked them to come and sit at a table in the back room.

Later, the man with the glasses told me:

The guy, the prince's friend, had been moved from home as a child and had ended up in a shelter. His foster parents had given shelter to underprivileged children for years, their mission in life. However, the boy could only stay with them for a few years, to avoid becoming 'too attached to' the foster parents. He was moved elsewhere, but had never forgotten them. The man with the glasses was his foster parent, and precisely on this night of the Miracle, the ‘Stille Omgang’ they had found each other on the sidewalk in the Nieuwebrugsteeg.

After their meeting, the man and his ‘foster child’ met for years at the procession, and in the ‘Olofspoort’. The Miracle meant so much, now that another miracle had happened. After a few years, the foster son came by to tell me personally that his 'Dad' had died. It moved me. And even more, when Prins Friso also died later so fatally,

That same evening, I had also recognized an old neighbor from the past, as an unexpected surprise. The guy had lived opposite our family in the ‘Wieringerwerf’ polder land, where I was born. When I left the village, he was still in first grade of primary school as a child. In the meantime he had grown up to become a policeman, wearing a cool police uniform.

All these events on that one evening gave the Miracle of Amsterdam a deep meaning. Since then, every years around March 15, I light a candle..

And, after the ‘Stille Omgang’, as soon as I had closed the tasting room, I always went to the convent of the Augustinian sisters in the Warmoesstraat. I always looked forward to visit the sisters, but was usually late for mass due to the clearing and closing of the tasting room. Often guests would join me and give a hand.

For years, these ‘love sisters’ took care of women living in bad circumstances. In the chapel of the monastery, they provided shelter and helped the women to be able to function independently in society again.

They handed out bread to homeless men at the front door, and the men were able to share in the communal prayer at the entrance. And I sang with the sisters during midnight mass. The reunion with the sisters gave so much warmth.

Together with the tasting café and friends, we organized the benefit concert: 'give the sisters a lift' to provide an elevator in the monastery. The Augustinian sisters are still missed in Amsterdam center, where they had lived since the Middle Ages.

 

09. Hartje Mokum, by Riny Reiken. The names in the story are authentic.

History drink ‘Hallelujah’. This herbal likorette is about traditions.